Programma toelichting concert 2 februari 2019

Ben van Venetië (1930 – 2009)                     Het Kwartair voor strijkorkest
                                                                                        

Joseph-Ermend Bonnal (1880 – 1944)      Prière et Choral voor orgel en strijkers
                                                                                   (orgelsolo: Ton van Eck)

Gustav Holst (1874 – 1934)                           A Moorside Suite (arr. Philip Lane)

                                                      Pauze

 Carl Reinecke (1824 – 1910)                        Serenade voor strijkorkest in g opus 242


 

 

Ben van Venetië – Het Kwartair

Ben van Venetië heeft jarenlang als violist deel uitgemaakt van het Tollens Ensemble.  Daarnaast componeerde hij (voor diverse orkesten en ensembles schreef hij muziek, waaronder ook strijkkwartetten en trio’s). Behalve viool speelde hij piano en orgel. Het Kwartair is geschreven in 1988 voor het Tollens Ensemble, dat het stuk dankbaar op het repertoire heeft gehouden. De tweede grote passie van Ben: de geologie, komt hier samen met de muziek. In de geologie is het Kwartair de jongste periode, die 2.588.000 jaar geleden begon met het pleistoceen en 117.000 jaar geleden overging in het holoceen, waarin wij nu leven. Slechts een fractie van de geologische geschiedenis, die ruim 4 miljard jaar teruggaat. Ben componeerde eerst het openingsthema, bestaande uit opeengestapelde en parallelle kwarten, waarna de naam van het stuk een logische keuze was. Er bestaat verder geen enkele relatie tussen de muziek en de geologische periode. Volgens de componist zal de luisteraar, die tijdens het luisteren denkbeeldig een ijzingwekkend gevecht tussen een troep sabeltandtijgers en groepen Neanderthalers meebeleeft, dit geheel voor eigen rekening doen!

Het Kwartair werd door het Tollensensemble op 22 april 1990 in de Oude Kerk van Rijswijk voor het eerst uitgevoerd.

Het werk telt drie delen, geheten deel 1, deel 2 en deel 3. De tijdgeest spreekt: no nonsense.

Deel 1. Andante - Allegro. Een langzame inleiding met een aantal stopmomenten, gevolgd door een levendig intermezzo, waarna het tempo vertraagt (moderato) voor een wat plechtiger gedeelte in een pentatonisch idioom, dat zeer zacht met een pizzicatonootje eindigt. Plots zijn we in een hoger tempo, waarin een tango-rumbaritme (vierkwartsmaat verdeeld in 3-3-2) belangrijk is. Ben ontregelt hier ook wat met syncopische nootjes. Het tempo vertraagt weer naar andante (met de thematiek van het moderato, maar volgens de metronoomcijfers (we zijn in de twintigste eeuw) een fractie langzamer.

Deel 2 Pizzicato - Allegro. Hier vraagt de componist nogal wat van het hem toch zeer bekende orkest: snelle pizzicatonootjes met zijn allen is niet eenvoudig te spelen! In 6/8 maat gaat het los in A groot. Van luid tot fluisterzacht tokkelt het orkest weg. Telkens een paar ontregelende maatjes (3 kwarten in een 6/8 maat lijkt gewoon een driekwartsmaat, maar de tweedelige maat wordt dan opeens driedelig in dezelfde tijd, dat schuurt wat). Het eindigt heel zachtjes (da-ta-da-ta tom-te-tom).

Deel 3 – Allegro. Het vlotte thema, een ritmische variatie op een thema uit het eerste deel, wordt fugatisch uitgewerkt. Een kort intermezzo in andante tempo leidt tot de reprise, waarna een heel kort coda’tje eindigt met een paar pizzicatonootjes.

U begrijpt nu vast wel waarom dit stuk op het repertoire van het Tollens Ensemble is gebleven!

Gustav Holst – A Moorside Suite

Gustav Holst werd op 21 september 1874 geboren als Gustav Theodore von Holst. Zijn overgrootvader, een Duitse componist van salonmuziek aan het hof van de Russische tsaar, had het adellijke “von” aan zijn naam toegevoegd in de hoop op meer aanzien. Gustav deed in 1918 het omgekeerde. Bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog meldde hij zich, zoals zovelen, aan als vrijwilliger, maar werd afgekeurd wegens zijn slechte gezondheid. Toen hij aan het eind van de oorlog toch, maar nu als organisator voor muziek voor de troepen in Oost-Europa, in dienst mocht, vond men zijn naam te Duits klinken en schrapte hij het “von”.

Gustav kwam uit een familie van generaties professionele musici; zijn vader gaf pianolessen en studeerde vele uren per dag. Ook zijn (jong gestorven) moeder was pianiste. Dat Gustav al op heel jonge leeftijd piano begon te spelen heeft misschien ook als reden dat hij op die manier wat meer aandacht van zijn vader kreeg.

Holst was aanvankelijk een weinig succesvol componist, overigens wel gewaardeerd door kenners, maar zeker een begaafd leraar. Aan St. Paul’s Girls School was hij zijn halve leven verbonden. The Planets, geschreven tussen 1914 en 1916, maakte hem uiteindelijk onsterfelijk als componist.

A Moorside Suite schreef Holst in 1927 voor de nationale Brass Band Competition van 1928, waar het werk door vijftien brassbands werd uitgevoerd. Holst heeft alle uitvoeringen toen bijgewoond!

Er is wat discussie of het werk niet eerst voor de strijkers van St Paul’s is geschreven, maar dat kan hooguit een uitprobeerversie zijn geweest; Holst zelf heeft alleen de Nocturne later voor strijkers gearrangeerd, en daarbij opgemerkt dat het echt geen strijkersmuziek was. Niettemin zijn er latere bewerkingen voor strijkorkest, onder veel meer van Gordon Jacob uit 1953, en van Philip Lane uit 2006. Het Tollens ensemble speelt die laatste versie.

  1. Scherzo. Een snelle 6/8 maat waarin trompetsignalen klinken naast een wervelende melodie. En toch lijkt het een mars! Het trio is ingetogener en langzamer, maar behoudt de signalen, en gaat vloeiend over in de herhaling van het eerste deel dat opnieuw heel plotseling eindigt. Lane heeft door afwisseling van soli en tutti wat meer kleur aangebracht. Charmant, maar wie de versie voor brassband kent weet: dit is blazersmuziek!
  2. Nocturne. Holst op zijn meest lyrisch. Ook hier afwisselend soli en tutti. In de soli denk ik de sfeer van The Lark Ascending van Holsts vriend Vaughan Williams te proeven, overigens zonder de virtuositeit in dat werk: het blijft rustig zweven. Beide componisten hebben wel vaak gezegd elkaar zeer beïnvloed te hebben. Uit Holsts eigen werk lijkt duidelijk verwantschap met het deel Venus uit The Planets. Niet vreemd dat Holst juist de nocturne zelf bewerkte voor strijkers; het lijkt er tóch voor geschreven!
  3. March. Van het militaire begin met wel een luchtig dansje erin, via een statige processie, weer een marsgedeelte, opnieuw vrolijk dansje, stukje marcheren naar de zeer statige finale (vertraagd het thema van de “processie”) met zijn abrupte besluit: je hoort trompetten en de militaire drum, en de koperglans van trombones en hoorn. En dat allemaal met een strijkorkest.

Toch echt goede strijkersmuziek! En als u wilt horen hoe Holst het bedoeld had: zoek op YouTube de versie van The Black Dyke Mills Band (die destijds ook de competitie won, trouwens).

Joseph-Ermend Bonnal Prière et Choral

Bij ons geen erg bekende naam, deze Bonnal. Zijn orgelleermeesters Alexandre Guilmant en Louis Vierne genieten meer bekendheid, en zijn compositieleraar? Gabriel Fauré! Toch volgde hij in 1942 zijn derde orgelleraar, Charles Tournemire, op als organist van de Sainte-Clotilde; op het Cavaillé-Collorgel dat nog steeds met eerbied het orgel van César Franck wordt genoemd. Dat orgelmuziek dus een voornaam deel van zijn oeuvre vormt is niet verwonderlijk. Toch zijn onder zijn honderden werken vioolsonates, liederen met pianobegeleiding, pianowerken, veel kamermuziek en zelfs een groots opgezet werk voor zangstem, koor, orkest (en orgel!): Adon Olam, waarmee hij een compositiewedstrijd in Los Angeles won van 110 mededingers. Onder het pseudoniem Guy Marylis schreef hij populaire muziek als tango’s en foxtrots.

Prière et Choral ontstond in 1908 ter nagedachtenis van zijn in 1904 overleden vriend Samuel Rousseau (die, een leerling van César Franck, in de Sainte-Clotilde koordirigent was geweest).

Mocht u invloeden van Franck horen in dit stuk dan is dat geen toeval.

Prière et Choral à la mémoire de mon ami Samuel Rousseau. Heel zacht begint het gebed, in de strijkers. De eenvoudige melodie wordt complexer maar blijft ingetogen. Het orgel introduceert het koraal, afgewisseld door stijgende intermezzi van de celli. Dan keert het gebed terug, in een andere toonsoort. Na een aantal maten zwijgen de celli en verzorgen de violen de intermezzi, nu echter dalend. Een aantal krachtige akkoorden leiden tot hervatten van het koraal, weer onderbroken door herhaling van die akkoorden, waarna het koraal zich voortzet en dan langzaam uitdooft. Het gebed keert terug, nu canonisch gevarieerd. Het orgel sluit af, en het werk wordt besloten door een coda dat de dalende melodie van het gebed combineert met de, zeer vertraagde, stijgende intermezzi van het koraal. Zult u de naam Joseph-Ermend Bonnal onthouden?

Carl Heinrich Carsten Reinecke – Serenade voor strijkorkest in g opus 242

Carl Reinecke werd geboren in Altona. In 1824 een Deens havenstadje in Sleeswijk-Holstein; nu een wijk van Hamburg. Zijn vader, een bekend muziektheorieleraar, gaf hem zijn eerste lessen, en in 1843 vinden we Reinecke als hofpianist in Kopenhagen, na een eerste Europese tour als pianovirtuoos. Vader had goed werk gedaan. Overigens niet altijd tot vreugde van Carl (ook Reineckes moeder overleed jong, toen Carl 4 jaar oud was, en vader was naar verluid wel erg streng). Reinecke studeerde (met een beurs van de Deense koning Christian VIII) daarna aan het door Mendelssohn opgerichte conservatorium van Leipzig, werd bevriend met grootheden als Mendelssohn, Schumann en Liszt, en werd 1860 leraar compositie en piano aan het Leipzigs conservatorium (na enkele jaren leraar aan het Keulse conservatorium te zijn geweest) en datzelfde jaar dirigent van het Gewandhausorchester. Van 1895 tot zijn pensioen in 1902 was hij ook directeur van het conservatorium. Hij staat bekend als een zeer behoudend componist en theoreticus, die de erfenis van Mendelssohn strikt bewaakte, en niets moest hebben van nieuwlichters als Berlioz en Wagner. Naast zijn werk als dirigent, compositieleraar en pianist (vooral zijn Mozartvertolkingen waren beroemd) zag hij kans bijna driehonderd werken te componeren en daarnaast veel boeken te schrijven, met name over muziekgeschiedenis. De bijna eindeloze lijst van grote componisten die zijn lessen hebben gevolgd (om er een paar te noemen: Albéniz, Bruch, Grieg, Janáček, Röntgen, Svendsen, Sullivan) geeft zijn importantie wel aan.

De Serenade voor strijkers opus 242, uit 1898, is de laatste van zijn negen serenades,  is de enige voor strijkorkest, en had een warme ontvangst van publiek en critici. De serenade is opgedragen aan hertog Georg Alexander von Mecklenburg-Strelitz, die in de jaren zeventig in Leipzig had gestudeerd. De hertog was een bekwaam amateurcellist, wat de grote cellosolo in de Cavatine verklaart. Het gemak waarmee Reinecke voor strijkers schrijft laat zich verklaren: naast al het andere was hij een bekwaam orkestviolist, en speelde al in zijn vroege jeugd in een strijkkwartet.

De Serenade voor strijkers greep aan het eind van de negentiende eeuw terug op klassieke voorbeelden, met “moderne” middelen. Die van Tsjaikovski, Dvořak, Suk en iets later Elgar zijn het bekendst, maar er waren vele anderen (zoals bijvoorbeeld “Serenaden-“ Fuchs). Rondo’s en de sonatevorm worden meestal vermeden; de delen zijn meestal in een simpele ABA-vorm en snel en langzaam wisselt elkaar af. Reinecke houdt zich hier keurig aan! Je bent behoudend of niet. Alleen het laatste deel heeft toch trekken van de sonatevorm.

Serenade G moll für Streich-Orchester Op. 242.

  1. Marcia. Molto moderato. Zachtjes stapt het orkest dit deel binnen; het openingsthema wordt na een subtiele vertraging herhaald, waarna een kort tweede “zang”-thema (passend als calando, rustiger, aangegeven) zijn intrede doet. Het marsthema komt terug, wordt nu zeer luid, en eindigt pizzicato. Plaats, rust. Die rust volgt onmiddellijk in het Tranquillo, een intermezzo van 21 maten dat met een lichte vertraging aan het eind weer overgaat in de reprise, die dit maal zacht eindigt. Een coda van 1 maat.
  2. Arioso. Andante sostenuto. In D groot een liefelijk thema dat vrijwel gekopieerd lijkt van het thema van Schumanns Geister-Variationen in Es (uit 1893). Ze kenden elkaar goed, dus misschien moeten we het als een eresaluut aan Schumann beschouwen. In elk geval iets om bij weg te dromen, al versnelt (affrettando) en vertraagt (calando) Reinecke veel binnen de melodie, wat goed past bij het romantische idioom (denk aan Chopin). Na een inleiding introduceren de celli de omkering van de melodie (dalend wordt stijgend en vice versa). Na weer een calando versnelt de beweging, al blijft het tempo gelijk. Het wordt complexer (zestiende triolen tegen zestienden, 6 tegen 4) en soms luid, om te eindigen in een fermate (een akkoord dat blijft “hangen”). De reprise werkt naar een climax, en net als in het eerste deel weer een zacht frasetje als slot.
  3. Scherzo. Allegretto. Een elegant dansje, heel lichtvoetig. Het middendeel (Un poco più tranquillo) is heel syncopisch (met verschoven accenten). Met weer wat vertragen en versnellen gaan we naar de reprise; nu een octaaf hoger bij de eerste violen (Let na twaalf maten eens op het zachte gegrom in de celli met het thema in mineur, 4 octaven lager). De beweging blijft, maar het wordt steeds zachter. Als het uit lijkt doet Reinecke het omgekeerde van de eerste twee delen: een luid pizzicato akkoord als slot.
  4. Cavatine Adagio. Dit is de spil van de Serenade. Reinecke slaat hier een nieuwe weg in met de vijfkwartsmaat (hoewel Tsjaikovski in 1893 al een soort wals in vijfkwartsmaat schreef in zijn zesde symfonie). De solocello mag helemaal alleen beginnen (quasi recitativo, alsof je een tekst zingt, een beetje vrij). De korte (secco) akkoorden van het orkest passen helemaal bij een recitatief, als uit de baroktijd. Daarna gaat het recitatief over in een smachtende melodie (con dolore), met het hele ensemble, maar de solocello blijft het hele deel de hoofdrol spelen. De toonsoort b klein gaat over in B groot (Più animato) en biedt wat tegenwicht, wat lichtheid, aan het verdriet. Na tien maten wordt het mineurthema hervat. Na deze herhaling komt het snellere gedeelte in majeur terug. Een afsluitende fermate en het eerste begin (met het recitatief) keert terug en eindigt in een ijl akkoord (met één noot toegift van de overige celli: een d). Die d suggereert misschien de paralleltoonsoort D groot: toch een vleugje optimisme?
  5. Fughetta giojosa. Vivace. Vertaal het maar als vrolijk canonnetje. Al is onduidelijk waarom Reinecke gioiosa met een j spelt. Schrijffoutje? Verkeerd gelezen door uitgever? Of om een of andere reden zo bedoeld? Ik moet het antwoord schuldig blijven. In elk geval: het is precies dat: een klein fugaatje, vrolijk van aard. De tweede violen beginnen, dan komen de alten, de eerste violen en tenslotte de celli. De contrabas heeft straf, die mag alleen wat begeleidende nootjes spelen. Zoals het hoort bij een fuga loopt het behoorlijk in de war tot het B-deel begint (molto ritard. poco a poco vermeldt de partituur, zoiets als pompend remmen stel ik me voor). Een langzaam dalende lijn wordt afgewisseld met het tweede stukje van het beginthema, maar dan steeds langzamer. Molto moderato wordt Un poco più tranquillo en tenslotte, als de vioolsolo inzet, più lento. Bij het molto moderato verandert de maatsoort van 6/8 in 3/8, maar eigenlijk verandert er niets. In plaats van 1 accent per maat wordt het 1 per twee maten. De soloviool omspeelt het themaatje met zestiende nootjes. Nog een maal klinkt dit laatste thema, en golft dan naar het einde. Héél zachtjes.
  6. Finale. Allegretto. Een langzame inleiding van enkele maten die even het voorgaande deel nog vasthoudt, en dan een oud Russisch volksliedje. Plotseling (con fuoco) een melodie in grote sprongen, van de eerste violen overgenomen door alten en celli, waarna het beginthema terugkeert. Voor het eerst schrijft Reinecke hier een herhaling voor. Na de herhaling een kort intermezzo waar beide thema’s vluchtig aan bod komen. Pizzicato gaan we verder met het volksliedthema. Als we weer gaan strijken mengt Reinecke zijn thema’s dooreen in een doorwerking-achtig gedeelte, dat aan het eind vertraagt naar het openingsthema van het eerste deel (più tranquillo) en vervolgens naar het majeurthema van de Cavatine; een paar maten maar, en dan versnelling naar een Presto afsluiting met in de laatste twee maten nog even het huppeltje van het volksliedthema.