Programmatoelichting 2024-04-21
Ole Olsen (1850-1927) Suite voor strijkorkest opus 60
Sang, Nordlys og isjfell, Vår, Drøm, Blant sigøynere, Dverger og alfer, Solefallssang.
Gerald Finzi (1901-1956) Five Bagatelles opus 23a for clarinet and piano
(arrangement voor klarinet en strijkorkest door Lawrence Ashmore).
Prelude, Romance, Carol, Forlana, Fughetta
Solist: Cristina Quesada Henares, klarinet
Pauze
Leoš Janáček (1854-1928) Idyla (1878) voor strijkorkest
Andante, Allegro, Moderato, Allegro, Adagio, Scherzo, Moderato
John Rutter (1945) Suite for Strings (1973)
“A-Roving”, “I have a Bonnet trimmed with blue”, “O waly, waly”, “Dashing away”
Vasili Kalinnikov heeft weinig geluk gekend in zijn korte leven. Hij was de zoon van een politieagent in het tsaristische Rusland, en het gezin leefde in armoedige omstandigheden. Zijn middelbare school was een theologisch seminarie, waar hij al op heel jonge leeftijd het koor ging leiden. Zijn conservatoriumopleiding in Moskou moest hij afbreken wegens geldgebrek. Met een studiebeurs bleek het wel mogelijk bij het Philharmonisch Gezelschap Moskou fagot en compositie te studeren. Met steun van Tsjaikovski kreeg hij aanstellingen als dirigent in Moskou; hij speelde fagot, viool (en pauken!) in diverse orkesten, maar een actieve tuberculose maakte een eind aan zijn ambities.
Hij verhuisde naar de Krim vanwege het klimaat, leefde van een kleine uitkering, wist zelfs nog wat composities (liederen, symfonieën) te publiceren, maar overleed twee dagen voor zijn 35e verjaardag. Zijn composities zijn vaak uitgesproken Russisch van karakter, met volksmuziekthema’s. Hij laat twee symfonieën, diverse andere orkestwerken, religieuze muziek, twee onvoltooide opera’s, toneelmuziek, koormuziek, liederen en pianomuziek na. De serenade voor strijkers stamt uit 1891, toen hij nog in Moskou werkte. De diverse thema’s zijn volksliedachtig, maar volksliedjes met die melodieën zijn niet bekend. Kennelijk is hijzelf de bron.
Serenade voor strijkers. De serenade kent slecht één deel, Andantino. Voor een vijfentwintigjarige een heel weemoedige sfeer, alsof hij zelf de toekomst al niet meer zo zonnig zag. De celli zetten krachtig in met wat later de begeleiding van een melodie in mineur (g klein) blijkt te zijn. Pizzicato’s in alle stemmen leiden daarheen. Na een herhaling komt een tweede thema, weer eerst door de cellogroep gebracht. Na weer een herhaling, een toontje hoger, nemen de violen het over. De celli mogen nog een keer, waarna het weemoedige openingsthema terugkeert. Dan lijkt het opnieuw te beginnen: de luide begeleidingsnoten als inleiding tot de pizzicato’s, die nu echter tot een nieuwe melodie voeren, die een antwoord lijkt op het eerste thema. Een doorwerking van dat nieuwe thema volgt, en na een korte vertraging keert het eerste thema terug, nu echter in majeur (G groot). Even is er hoop, maar we gaan toch weer in mineur verder. Opeens een dissonante toon, crescendo noten, het lijkt een wanhoopskreet, die echter weer in een berustend pianissimo slot eindigt.
Felix Mendelssohn Bartholdy was een wonderkind. Dat kunnen we rustig stellen, want in zijn twaalfde jaar had hij al zes strijkerssymfonieën geschreven, waaronder ook de vandaag gespeelde vierde. Hij kreeg ook alle kans zijn talent te ontplooien, want in tegenstelling tot de andere componisten op dit programma kwam hij uit een zeer welgestelde familie. Zijn vader, zoon van de beroemde joodse filosoof Moses Mendelssohn, was bankier. Om het ook in die tijd heersende antisemitisme te ontlopen besloot deze (niet-gelovige jood) het gezin tot christen te laten dopen, en werd Felix vanaf zijn zevende dus christelijk opgevoed, en kreeg het gezin de aangenomen naam Bartholdy aan hun eigen naam toegevoegd. Felix kon zijn werken ook op die leeftijd al uit laten voeren door goede orkesten, omdat zijn vader daarvoor het geld op tafel kon leggen. Van in die tijd moderne muziek als van Liszt, Wagner en Berlioz moest hij weinig hebben; hij was meer geïnteresseerd in Johann Sebastian Bach. Het door hem en Robert Schumann in 1842 opgerichte conservatorium van Leipzig was dan ook geen bolwerk van vooruitstrevendheid (maar wel van hoge kwaliteit!). Mendelssohns belangstelling voor Bach resulteerde in 1829 in de eerste heruitvoering van de Mattheuspassion sinds diens overlijden in 1750. We zijn hem nog steeds dankbaar. Die dank geldt ook het geweldige oeuvre dat hij naliet toen hij op slechts 38-jarige leeftijd overleed (kort na zijn zus Fanny, die inmiddels de erkenning als belangrijk componist, die haar als vrouw toen werd onthouden, begint te krijgen). Ik noem slechts de midzomernachtsmuziek, de Italiaanse en Schotse symfonieën, de kwartetten, het fenomenale octet, en de Hebridenouverture, maar er is nog zoveel meer.
Zoals deze Sinfonia IV voor strijkers (1821) in c.
De symfonie begint met een ouverture in barokstijl: Grave, maar gaat al snel over in een vlot, energiek allegro. Dat deze twaalfjarige het contrapunt al volledig beheerste mag duidelijk zijn. Het volgende Andante is vol lyriek tegen een vloeiende ondergrond. De melodie is niet alleen aan de eerste violen, maar ook vaak de andere stemmen toebedeeld. Als laatste toch weer de eerste violen, en hun stem dooft uit in een stijgende toonladder. Het derde en laatste deel, Allegro vivace, heeft een thema met een dalende lijn met veel trillers en een stijgend snel loopje. Aan het eind van het eerste deel in alle stemmen (unisono) de dalende trillers en een extra gecompliceerd loopje ter afsluiting. Na de reprise mengen de onderdelen van het thema in een fugatische doorwerking met een soortgelijke unisono afsluiting als slot. Behoorlijk lastig om te spelen, en dat een schoolkind zoiets weet te schrijven (en het zelf ook spelen kon, trouwens) laat ons weer beseffen: echt een wonderkind!
Zoals bekend was Franz Schubert, nu als een van de grootste componisten aller tijden erkend, tijdens zijn leven weinig succesvol. Buiten zijn kleine kring bewonderaars was er weinig waardering voor zijn composities. Veel werken werden geweigerd door uitgevers (waaronder het kwintet in C, met de twee cello’s, nu door sommigen beschouwd als de mooiste muziek ooit geschreven). De weinige wel uitgegeven werken werden slecht betaald, al waren een klein aantal wel succesvol bij het publiek.
Zijn start was als een van de negentien kinderen van zijn vader niet voorspoedig, al werd zijn talent door zijn vader en zijn leraren (waaronder Antonio Salieri, die hem nog jaren lang gratis lessen gaf) al vroeg gezien.
Hij zong bij de Wiener Sängerknaben, was een virtuoos violist, altviolist en pianist, maar moest lange tijd als hulponderwijzer aan de kost komen, en bij gebrek aan een eigen woning bij vrienden “op de bank” logeren. De avonden waren voor het koffiehuis, met die vrienden, en ’s morgens componeerde hij.
Hij overleed op 31-jarige leeftijd aan tyfus. De waardering voor zijn, gezien zijn korte leven bijna onvoorstelbaar rijke, oeuvre nam in de loop van de negentiende eeuw snel toe. In Wenen werd in 1872 dit monument voor hem opgericht in het Stadspark, ik fotografeerde het in 2014.
Het Rondo voor viool en strijkers in A, D 438, componeerde hij in 1816, maar pas in 1897 werd het werk in Leipzig uitgegeven door de firma Breitkopf & Härtel. Schubert heeft nooit een vioolconcert geschreven, maar dit eendelige werk komt in de buurt. De solist krijgt ruim baan om te schitteren. De vorm: adagio inleiding gevolgd door een allegro rondo, waarin een thema telkens terugkeert, gescheiden door solistische en tuttipassages heeft hij waarschijnlijk overgenomen uit Mozarts derde strijkkwintet in g, dat hij in die tijd bestudeerd had. Alleen is die vorm bij Schubert verder uitgewerkt en de eerste vioolpartij veel gecompliceerder geworden.
Adagio. Een majestueus begin, zware stappen. Ik zie een gezelschap uit de bosrand het open veld inlopen; de soloviool nog gevangen in de kooi van het orkest. In de twaalfde maat gaat de kooi open, de vogel wordt vrijgelaten en stijgt zoals de leeuwerik in Vaughan Williams’ beroemde “The Lark Ascending” op. Nu eens dichtbij, dan weer ijl in de hoogte klinkt de solo, begeleid door de overige strijkers die oh en ah lijken te roepen. Aan het eind van de inleiding blijft de solist alleen over en volgt het Allegro giusto. Het orkest geeft een zetje; de solo maakt een huppeltje en schiet er vandoor. Nu eerder een haas dan een vogel! Dit is thema A, het huppelende melodietje. Dit wordt herhaald, waarna de soliste de vrije hand krijgt in een cadensachtige passage, die eindigt in een triller. Wat gezucht over en weer, eindigend in een fermate (een noot die even blijft hangen: een rustpunt). Dat vraagt om een cadens, (en die komt ook, al duurt het maar kort), en dan volgt het B-thema, ook twee maal: een vrolijk lied (tenslotte was Schubert een fantastische liedcomponist). In het tweede deel van dit thema danst de viool boven zuchtende strijkers, en na een afsluitende triller volgt een tutti gedeelte: allemaal samen een simpele melodie, maar gespeeld met twee nootjes per toon waardoor een wat hakkend effect ontstaat. Een paar akkoorden, even een vraag- en antwoordspel tussen soloviool en strijkersensemble, en er wordt na een nieuwe fermate (met cadensje!) besloten tot de terugkeer naar thema A, dat eindigt met een korte aarzeling, waarna een nieuw thema klinkt: thema C. Weer een lied, rustig en melodieus. De soloviool speelt een aantal steeds woestere variaties, waarna de rust terugkeert, maar die is van korte duur. Weer wordt het onrustig, en een nieuwe triller kondigt opnieuw het tutti aan. Een wat langere overgang met zuchtend vraag- en antwoordspel dat plotseling weer overgaat in het huppelthema A: duwtje, sprongetje, en daar gaan we weer! Het hele thema ontvouwt zich weer met een slotakkoord, waarna zonder overgang thema B weer zijn opwachting maakt. Het verloopt zoals voorheen; eindigt met wederzijds gezucht en een fermate, met dus weer een cadensje, waarna de herhaling volgt tot en met de eindtriller. Schubert herhaalt het laatste stukje nog een keer, en pas na die tweede eindtriller volgt het tutti dat rechtstreeks naar de slotakkoorden leidt.
Samengevat: het schema is AA-BB-Tutti AA-CC-Tutti en coda: AA-BB-Tutti.
Edward Elgar was misschien geen wonderkind; hij werd pas beroemd toen hij al in de veertig was, met zijn Enigma Variations (waarvan het genoemde raadsel nog steeds niet opgelost is; misschien bestaat het niet eens en maakte hij een grap?), zijn vioolconcert en zijn eerste symfonie. Zijn vader, die aan de kost kwam als pianostemmer, en een muziekwinkel had, kon zich niet permitteren zijn zoon een conservatoriumopleiding te laten geven (die had graag naar het Leipziger conservatorium, nog door Mendelssohn gesticht, willen gaan). Maar: door zelfstudie verwierf Edward een grote kennis van muziektheorie en compositietechniek; hij speelde bovendien op professioneel niveau orgel, viool en altviool. Door zijn afkomst en Rooms-Katholieke geloof kreeg hij weinig kansen en moest om genoeg te verdienen een baantje als kantoorklerk nemen. Door zijn huwelijk met zijn leerling Alice Roberts, de dochter van een generaal-majoor, kreeg hij wat meer kansen in het leven (al werd zij onterfd door haar familie, die een huwelijk, ver beneden haar stand, met een kantoorklerk! zeer afkeurden). Zij liet zich niet uit het veld slaan en werd Elgars grootste pleitbezorger. En zo werd hij, zonder conservatoriumopleiding, en een katholiek in een door en door Anglicaans land, uiteindelijk toch Engelands beroemdste componist. De mars Pomp and Circumstance: “Land of Hope and Glory” die ieder jaar de Proms afsluit is een soort Engels volkslied geworden naast “God save the King”. De ontvangst van zijn tweede symfonie en het (fantastische!) celloconcert waren zeer teleurstellend, en Elgar heeft zich jarenlang (mokkend?) teruggetrokken van het componeren. Aan het eind van zijn leven werkte hij aan de derde symfonie (die onvoltooid bleef) en zijn eerste opera: The Spanish Lady, naar een toneelstuk van Ben Jonson: the Devil is an Ass (aan die ezel heeft Gerard van het Reve naderhand nog een heel andere draai gegeven). Elgar maakte voor die opera veel gebruik van nooit uitgegeven materiaal dat hij in de jaren tachtig had gecomponeerd. Hij stierf voordat het werk voltooid was. Percy Young, een musicoloog, dirigent, componist en schrijver van onder veel meer Elgars biografie, heeft met toestemming van Elgars (enige) dochter Carice de opera getracht te voltooien; er bestaat een Cd-opname van, maar een groot succes werd het niet. Young stelde ook een suite samen uit het materiaal dat hem ter beschikking stond, en die wordt nog met enige regelmaat uitgevoerd, ook het Tollens Ensemble speelde de suite al vaker.
Suite uit “The Spanish Lady”. I. Country dance: Allegretto e leggiero. Een luchtig dansje, ingeleid door de celli. Zeker geen klompendans, eerder een dansje opgevoerd voor de adellijke dames en heren van de British countryside op een zomermiddag in een tuin. Danseressen in dunne jurkjes met sluiers. Misschien dat in het middendeel de lords en ladies nog even meedoen, of is het alleen commentaar en gelach?
- Burlesco: Allegro. Burlesco betekent: op grappige wijze. Het is vooral vrolijkheid, op een stevige basis in de basgroep. Het middendeel is wat anders van karakter dan de hoekdelen, maar ook daar veel lachen en gieren. Er wordt zeker gedanst, misschien hebben de dames en heren iets te veel op? Die lach in het middendeel zou ook een hik kunnen zijn, nietwaar? III. Adagio. Een totaal andere sfeer, een ander idioom, tonen die niet helemaal in de toonladder passen. London fog? Geluiden klinken heel helder, maar waar ze precies vandaan komen of heen gaan is onduidelijk, zelfs het slotakkoord is mistig. IV. Sarabande: Maestoso. Een statige dans, met het kenmerkende ritme “één twéé, en / één twéé, en”. Een dans uit de Spaanse barokperiode. Bach en Handel gebruikten de dansvorm graag in hun suites. En ja, hier zie je de hovelingen statig schrijden met telkens even een kniebuiginkje, in hun stijve gewaden die geen burlesco of zelfs country dance toelaten. V. Bourrée: Vivace. In zijn oorspronkelijke Franse vorm een kluchtige boerendans, niet erg beschaafd, in tegenstelling tot de sarabande. Dit zou je nu wél een klompendans kunnen noemen, maar Engelsen (en Fransen) dragen geen klompen, dus het blijft iets lichter van toon. Er lijkt zelfs wat sprake van rondzwieren. Een simpele melodie, die met een paar kleine vertraginkjes tussendoor recht op het slot afgaat.
Gyula Beliczay (spreek uit: Béllietsaai Joela, de Hongaren zetten de voornaam achter de familienaam), was een (inmiddels vrijwel vergeten) Hongaarse componist, dirigent en muziektheoreticus. Ik vroeg het een Hongaarse violiste: “nooit van gehoord!” In zijn tijd was hij echter heel bekend; hij was bevriend met niet de minsten, zoals Liszt, Wagner en Anton Rubinstein. Hij was vanaf 1888 docent muziektheorie aan de Franz Lisztacademie in Budapest. Hij wordt tegenwoordig gezien als de belangrijkste van de Hongaarse “kleine” componisten van de negentiende eeuw. Naast zijn conservatoriumopleiding volgde hij ook een technische studie en was als ingenieur in Wenen werkzaam voor de Oostenrijk-Hongaarse overheid. Zijn romantische werken werden in heel Europa en tot zelfs in Amerika gespeeld. Hij schreef onder meer symfonieën, pianowerken, kamermuziek en vioolsonates. De serenade opus 36 voor strijknonet (het werk is grotendeels vijfstemmig, dus goed uit te voeren door een strijkorkest) wordt tegenwoordig nog wel regelmatig gespeeld. Maar de kans dat u het ooit gehoord hebt is klein!
Serenade in d opus 36. I. moderato ma non troppo. Een marsachtig eerste thema, in d klein, dus mineur, maar toch parmantig. Na achttien maten verschuift het ritme, dat dan heel Hongaars aandoet (teTA, teTa in plaats van TAte TAte). Het loopt over in een syncopisch ritme: denk aan een zigeunerstrijkje waar de tweede violist voortdurend tegen de draad in gaat (een bekende Nederlandse Roma violist die ooit met ons optrad zei het beeldend: een Hongaarse boer die in zijn handen klapt doet dat niet óp, maar ná de tel, dus niet pats-stil-pats-stil, maar stil-pats-stil-pats). Bij die syncopen klinkt een tweede, zangerig thema, in D groot, (dus in majeur, terwijl de toonsoort wel d klein blijft) espressivo. Zoals u kunt horen kan dit alles een beetje verwarrend werken. In de loop van dit deel begint de melodie vaak op de tweede tel (Hongaars!). Aan het eind van het deel komt het beginthema nog even wat langzamer (sostenuto) terug voor we heel abrupt (presto) afsluiten. II. Allegretto vivace. Er staat geen “Scherzo”, maar dat is het wel! En levendig is het ook. Een vrolijk melodietje in het eerste deel, het zou een dans voor een Hongaarse boerenbruiloft kunnen zijn. Het “Trio”-deel (Risoluto) heeft weer even die nadruk op de tweede tel van de tweede maat. Meeklappende boeren rondom het dansende gezelschap? Het terugkerende beginthema achtereenvolgens in eerste, tweede en altviolen sluit het triogedeelte af en we zijn weer aan het begin. Een kort coda, zachte afsluiting en een onverwacht ka-boem tot slot. III. Adagio cantabile. Even rustig in de hangmat op een zomerdag in dit hoogromantische deel. Het ritme van deze melodie (“ooh, wat is het mooi wéér” kun je er op zingen) heeft ook in dit deel die nadruk op de tweede tel van de tweede maat; het blijft Hongaars. Het ritme varieert een klein beetje (naar “oh, wat is het toch mooi weer”) en mag door alle stemmen na elkaar gebracht worden. De celli hebben het laatste woord, voordat (molto espressivo) het karakter even verandert: de eerste violen en de celli hebben een vloeiende melodie, maar tweede violen en altviolen gaan daar weer lekker tegenin met zigeunerstrijkjessyncopen. Het duurt niet lang, de syncopen verdwijnen geleidelijk, het mooiweer thema keert terug en uiteindelijk dooft het geluid uit. In slaap gevallen? U hopelijk niet, want dan zou u ruw gewekt worden door het begin van het laatste deel: IV. Allegro con fuoco. Luid en snel is de inleiding, maar die duurt maar heel kort. In een flits krijgt u de hele thematiek van dit deel te horen, maar u krijgt de tijd niet om dat tot u door te laten dringen. Dan allegretto vivace: het lijkt dat we terug zijn op de boerenbruiloft met ditmaal van links naar rechts zwaaiende dansers. Er horen we daar een tamboerijn? Het thema bestaat uit twee contrasterende groepjes: 4 achtste nootjes (takke-takke) en twee kwartnoten (ho-ren), Dus “takke takke horen” is het thema dat zich in allerlei vormen aan ons ontvouwt. We dansen een tijdje door, en vooral het takke-takke verplaatst zich vaak door de stemgroepen. Het thema verandert en verlengt geleidelijk, en dan heeft Beliczay een fuga in petto. De altviolen beginnen zachtjes met het inmiddels definitieve thema, dan zetten achtereenvolgens de tweede violen en de eerste violen in en als laatste voegt de basgroep zich in het gewoel. Midden in de fuga zijn we het opeens weer geheel eens, dan even een echomoment, en na het intermezzo begint de fuga opnieuw, nu forte en startend met de celli. Een groot crescendo naar de slotnoot. Maar het is nog niet uit (het is ook duidelijk geen slotakkoord!) Na een korte pauze opeens weer het Allegro con fuoco.
Een beetje anders dan de eerste keer, nu na elkaar, maar even heftig en bijna even kort. Nu herkent u het waarschijnlijk, dit stukje fugathema! Daarna volgt de reprise. Die loopt uit op een hoop gehakketak tussen de (alt)-violen, waarna het tempo omlaag gaat (moderato) en het zangthema uit het eerste deel terugkeert. Tussendoor horen we telkens een con fuoco flard, maar nu in majeur, terugkomen, en dan de slotakkoorden. D groot, positief! Fijne muziek, toch? Maakt benieuwd naar zijn andere werk!
