Programmatoelichting 2024-04-28
Ole Olsen (1850-1927) Suite voor strijkorkest opus 60
Sang, Nordlys og isjfell, Vår, Drøm, Blant sigøynere, Dverger og alfer, Solefallssang.
G. F. Händel (1685-1759) Orgelconcert in d op. 7 no. 4
Adagio, Allegro, Adagio (organo solo ad libitum), Allegro
Solist: Wim Voogd
Pauze
Leoš Janáček (1854-1928) Idyla (1878) voor strijkorkest
Andante, Allegro, Moderato, Allegro, Adagio, Scherzo, Moderato
John Rutter (1945) Suite for Strings (1973)
“A-Roving”, “I have a Bonnet trimmed with blue”, “O waly, waly”, “Dashing away”
Ole Olsen was een Noorse componist die, hoewel van eenvoudige afkomst, al vroeg muzieklessen kreeg omdat zijn vader (amateur-) organist was in Hammerfest, waar Olsen geboren werd. De kleine Ole speelde piano en viool, en verving als zevenjarige zijn vader soms al als organist. Later studeerde hij aan de Mendelssohn-academie in Leipzig. Terug in Noorwegen was hij in Oslo (toen nog Christiania geheten) koordirigent en kapelmeester van een militair muziekgezelschap. Zijn oevre omvat opera’s, werken voor harmonieorkest, kamermuziek, pianowerken, oratoria, orkestwerken, soloconcerten… Het lijkt haast simpeler een genre te noemen waar hij zich niet mee bezighield. Toch is er weinig werk van hem dat repertoire heeft gehouden, wellicht ten onrechte? Maar misschien niet toevallig is een van zijn bekend gebleven werken de suite voor strijkorkest (1890, uit opera “Svein Uræd” op libretto van Nordahl Rolfsen) die vandaag op onze lessenaars staat.
- Lied. (Andante quasi adagio). Direct lijk je in het Noorden aangeland te zijn, de unisono melodie, kaal en wat mistroostig, ontdooit maar langzaam, en dan denk je Grieg te horen. De gelijkenis met diens Solvejgs Lied uit Peer Gynt is wel opvallend, vooral ook vanwege de weemoedige sfeer.
- Noorderlicht en ijsveld (Andante). Op een bedje van wiebelende viooltonen horen we een ook al niet vrolijke melodie van de altviolen. Liadov’s Steppenschets hangt me voor de geest: diezelfde sfeer van verlatenheid. De celli doen even mee, maar de altviolen blijven tot het slot de baas. In 1890 is er hier nog geen toerist te zien!
- Voorjaar (Andante quasi allegretto). Na twee mineurtoonsoorten klinkt E groot wel wat frisser, maar het wordt toch maar heel voorzichtig lente: hooguit wat groene knopjes verschijnen er, maar het is duidelijk niet meer zo koud.
- Droom (Molto andante). We blijven in majeur (Bes). Kennelijk een prettige inslaapdroom, met in het midden even een stukje REM-slaap, zo te horen, maar we zakken al snel weer terug in vredig dromenland.
- Bij de zigeuners (Allegro vivace). Dat is wel even iets anders; een woeste dans rond een open vuur? Kennelijk had Olsen een nogal clichébeeld van Roma en Sinti! Het zij hem vergeven, in 1890.
- Dwergen en elfen (Tempo di Valse ma non troppo). Of het nu de dwergen zijn gevolgd door de elfen of andersom; het tweede deel is wat zwieriger (als g klein wordt ingeruild voor G groot), en daarna dansen ze samen in het rond, met een buiginkje aan het slot: pompom.
- Zonsondergangslied (Andante con moto). De tweede violen mogen beginnen, daarna nemen de eerste violen het over. Er komt nog een laatste uitbarsting, zoals de lucht bij zonsondergang op zijn mooist is vlak voor de zon onder de horizon zakt, en dan nemen we afscheid.
Geen revolutie in de toonkunst, maar wel heel aangename muziek, vindt u niet?
Georg Friedrich Händel behoeft eigenlijk geen introductie: wie heeft de Messiah nooit gehoord? Om nog maar niet te spreken over zijn vele honderden andere werken: naast de Messiah nog 28 oratoria, 42 opera’s, meer dan honderd cantates, kerkmuziek, sonates, werken voor klavecimbel en orgel, en vele orgelconcerten, om maar iets te noemen…
Händels vader was chirurgijn aan het keurvorstelijk hof van Saksen; een muzikale opvoeding leek niet voor de hand te liggen, maar gelukkig zag een hertog, die hem als achtjarige hoorde spelen, zijn grote talent en regelde een orgelleraar voor hem. De rest is geschiedenis: Händel maakte al spoedig grote naam als organist en klavecinist. Via Italië, waar hij een aantal jaren verbleef, en een aanstelling in Hannover, waar de keurvorst de latere koning van Engeland werd, belandde hij in Londen, waar hij zich als zelfstandig kunstenaar wist te handhaven en zelfs fortuin te maken. Het vandaag gespeelde orgelconcert opus 7 no. 4 (HWV 309) stamt uit ongeveer 1750, in Londen geschreven. Het tweede deel ontleende Handel (hij was inmiddels Engelsman geworden en spelde zijn naam nu Engels) aan Telemanns Tafelmusik; het laatste deel aan het tweede deel van zijn eigen concerto grosso opus 3 no. 6 (HWV 317). Maar het monumentale eerste deel was wél nieuw!
- Adagio. Met wat intermezzo’s wordt het hele deel gedragen door 2 solocello’s met het continuo (klavecimbel, bas, orgel). Pas na dertien maten begint de orgelsolo, met wat zuchten van de strijkers begeleid, waarna de violen het begin van het openingsthema spelen en het orgel het zinnetje afmaakt. Weer de violen, maar nu een kwint lager. Het orgel zet voort, maar nu vlecht Handel daar de cellosolo’s doorheen. Violen, orgel en cello’s wisselen elkaar af tot het orgel overblijft, met weer wat strijkerszuchten. Tenslotte wordt het deel met alle stemmen samen afgesloten. Zelfs de altviolen, die voor die tijd vrijwel niets te doen hadden, mogen nu meedoen.
- Allegro. Ditmaal begint de solist in zijn eentje, maar na een paar maten neemt het orkest het over en zwijgt het orgel, dat echter daarna de kans krijgt het nog een dunnetjes over te doen. Lange stukken orgelsolo, waar de solist de gelegenheid krijgt wat met het thema te spelen, wisselen af met korte herhalingen van het thema in het orkest. Uiteindelijk heeft het orkest het laatste woord.
- Hier noteert Handel slechts “organo ad libitum”, het hangt dus geheel van de solist af wat u hier te horen krijgt. Het orkest zwijgt, en de solist moet in elk geval een verbinding tot stand brengen tussen het tweede en vierde deel.
- Allegro. Drie-achtste maat, een menuet, zou je zeggen, je kunt er beslist op dansen. Nu mag het orkest beginnen. Het orgel komt daarna, met een heel andere lijn, die eindigt in een lange dalende frase waarna het orkest afsluit. Herhaling. Na de dubbelstreep het orgel met eigen frases, en het orkest dat zich telkens (ongeveer) herhaalt. De laatste solo van het orgel gaat over in het beginthema, nu met zijn allen.
De Tsjechische componist Léos Janáček werd geboren in een klein dorp in Moravië; hij studeerde in Brno en Praag piano en orgel; keerde terug naar Brno en werkte daar als koordirigent. In het koor van de kweekschool van Brno zong een dertienjarig meisje, Zdenka Schulzová, dochter van de directeur van die school. Janáček zou drie jaar later met haar trouwen. Hij vervolgde zijn studies, in 1879 en 1880, nu ook voor compositie, in Leipzig en Wenen. Zoals Kodaly en Bartók in Hongarije, gaat hij later op onderzoek uit in zijn eigen land, Moravië, en tekent de nog bestaande volksmuziek op. Zowel de harmonische en ritmische eigenschappen, alsook het gebruik van traditionele instrumenten (zoals cimbalom en doedelzak) interesseren hem. Hij schrijft negen opera’s, met als bekendste Jenufa, Katja Kabanova, en Het Sluwe Vosje, naast orkestwerken (Taras Bulba), kerkelijke muziek (de Glagolitische Mis) en kamermuziek, waaronder zijn twee beroemde strijkkwartetten (Kreutzersonate en Intieme Brieven). In 1877, pas 23 jaar oud, schrijft hij zijn Suite voor strijkorkest, die het Tollensensemble vaak uitvoerde; het blijft een van zijn bekendste werken. Op het programma staat nu zijn zevendelige Idyla “pro smyčcové nástroje” (voor strijkinstrumenten dus). In 1878 voor het eerst uitgevoerd, in 1880 schrijft hij er een zevende deel bij, en daarna is het werk om onbekende redenen verdwenen, om pas 10 jaar na Janáčeks dood bij een Tsjechische plattelandsonderwijzer teruggevonden te worden. We weten er dus verder weinig van.
- Andante. Het lijkt een soort modern menuet, al staat dat er niet bij, maar twee thema’s, een lyrisch middendeel met een derde thema in een ander tempo en daarna een herhaling doet er wel aan denken. De celli beginnen, maar blijken een tegenstem voor de eerste violen te spelen. Na enkele maten volgt een tweede thema. Het tempo neemt af en een lyrisch derde thema klinkt. Dan stevige stappen in de begeleiding terwijl de melodie daarboven zweeft. Even weer een stukje lyriek, en opnieuw die stevige passen. Een heel zachte afsluiting, die blijkt over te gaan in de herhaling van het eerste gedeelte. Horen we een jonge man die aan het begin van zijn loopbaan het leven voor zich ziet, of denkt hij al aan een leven met Zdenka?
- Allegro. Een vrolijke dansante melodie in D, die overgaat naar een wat beschouwender stukje in Des. Terug in D volgt een snelle overgang naar een variatie op de eerste melodie, en dan slaan we een heel andere weg in: een langzamer tempo (moderato), de driekwartsmaat wordt een vierkwartsmaat, de toonsoort d mixolydisch (witte toetsen-toonladder beginnend op g, maar nu met een d als grondtoon) . De dans gaat over in een stevige wandeling. Een stukje, herhaling, een tweede stukje, herhaling, en dan een coda met het beginthema en een triomfantelijk slot. O zo!
- Moderato. Even een pauze voor wat serieuzere zaken. De altviolen brengen iets te berde; de violen antwoorden, en de celli gooien er snel een argument tussendoor, dat door de altviolen wordt overgenomen, waarna wat gekrakeel ontstaat. Dan lijken de violen in een wat hoger tempo de argumenten van cello en altviool over te nemen, en al snel wordt het een heel door elkaar heen praten. We keren terug naar het begin van de discussie, maar nu hebben we van argument gewisseld, en dat leidt vlot tot uitdoven van het gesprek.
- Allegro. Wat hebben we nu weer? Idyllisch lijkt het weer niet te worden, eerder vrij heftig. Het blijkt toch weer wat luchtiger te zijn als de eerste violen een vrolijk melodietje krijgen zonder veel tegenspraak van anderen; ook de contrabas doet er het zwijgen toe. Weer heftiger komt de dubbelstreep (het herhalingsteken) in zicht en herhalen we het gebeurde. Na de dubbelstreep ontstaat zowaar een doorwerking: de diverse thema’s worden van alle kanten bekeken en er volgt een stevige afsluiting.
- Adagio. Eindelijk! Dit kun je toch wel idyllisch noemen, in ieder geval is er een rustige sfeer, op een zomeravond zittend op de schommelstoel van Finzi’s romance. Een hemelse melodie, ingezet door de altviolen, en voort gezet door de eerste violen. Dan nemen de altviolen, nu versterkt door de celli, het weer over. En dan lijkt ook dit deel weer ten einde, maar mocht u wat weg gesukkeld zijn in fijne dromen, dan wordt u weer bij de les gehouden door snelle bewegingen en mogen daarna de celli, begeleid door golvende altviolen, en nieuwe prachtmelodie spelen die hen letterlijk in hoger sferen brengt. Beginthema, langzaam uitdovend; nog een laatste stukje melodie van de celli, en een pizzicato van de anderen om het af te sluiten.
- Scherzo. Een heel vlotte dans, en vrolijk. Een echt scherzo: schema a a b, (trio) c c d, (da capo) a b, coda.
Het trio is een heel eind rustiger en lyrischer; idyllisch zou ik haast zeggen, maar het scherzo da capo is weer vol rumoer en het coda eindigt zoals een compositie vaak eindigt: met een uitroepteken om applaus uit te lokken. Hier eindigde de Idyla in 1878, maar zoals gezegd schreef Janáček er voor de uitvoering in 1880 nog een deel bij:
- Moderato. Brede gebaren op een onrustige ondergrond, die toch de melodie blijken te spelen, en daarna diezelfde onrustige melodie op een breed gebouwde ondergrond. En daaruit komt toch weer een liefelijke melodie van de eerste violen met snel gewoel van de tweede; soms mogen ze even ademhalen en nemen de alten het tijdelijk over. Het beginthema komt weer terug bij de celli, maar nu een octaaf hoger. Nooit geweten dat Janáček zo’n pestkop was (het is lastig)! De violen nemen het weer over, maar worden onderbroken door de celli met een nieuw thema, dat even de overhand krijgt. Na even terugkeer van thema 1 is er een wat lyrischer versie van thema 2, echt even een rustpunt voor het slotrefrein met thema 1, met heel even de quintolen (5 noten in de tijdruimte van 4), die we ons herinneren van deel 5, als afsluiting. Wat complexere materie; in die twee jaar heeft de componist duidelijk een ontwikkeling doorgemaakt.
John Rutter is vooral bekend als koorcomponist. De Britse componist, organist en koordirigent maakte veel kerkmuziek, maar ook schreef en bewerkte hij kerstliederen en niet-religieuze werken. Hij is de oprichter van de Cambridge Singers, een inmiddels beroemd beroepskoor. In de hele wereld worden zijn werken uitgevoerd, en ook veel Nederlandse koren programmeren graag zijn composities. De Engelse koninklijke familie is fan, gezien de aanwezigheid van zijn muziek bij officiële gelegenheden. Puur instrumentale muziek (voor brassband, strijkers, symfonieorkest) is maar een klein deel van zijn oeuvre.
De Suite for Strings uit 1973 is gebaseerd op vier oude volksliedjes, allemaal over liefdesproblemen. In 2019 heeft het Tollens Ensemble het werk voor het eerst uitgevoerd.
- A-roving (In Amsterdam there lived a maid, and she was mistress of her trade), een “shanty” (zeemanslied) Welke trade dat is laat zich raden: knee rijmt op that’s rather free en thigh op that’s rather high, maar dan daagt een Nederlandse vechtersbaas woedend op en zegt “dees ees meine frau”! Het verschil tussen Duits en Nederlands is Engelsen kennelijk niet duidelijk. A-roving betekent iets als “aan de zwier gaan”.
In de aanvang doet niets aan een volksliedje denken: rauwe akkoorden, weinig harmonieus, maar al snel kalmeert de zee en klinkt de (voor Engelsen) bekende melodie. Rutter introduceert nog een tweede thema (I sowed the Seeds of Love, een ander volksliedje), veel rustiger (een meisje mag niet zelf een bloem kiezen van de tuinman, kiest eigenwijs toch voor de roos, maar wordt dan door de doorns geprikt). De componist gaat met de twee melodieën aan de zwier (snelle loopjes in de violen!) maar de zeeman loopt aan het eind toch hard weg (a great big Dutchman rammed my Bow!) en de Hollander schudt nog even zijn vuist.
- I have a Bonnet trimmed with blue (and I wear it where I can, going to the ball with my young man). Een Iers volksliedje. Dit meisje draagt een blauwgerand mutsje als ze met haar verloofde naar het bal gaat, maar die is op zee, en wie weet wil ze het voor deze aanbidder ook wel dragen…
Golvende geluiden in het begin. Doet denken aan het lachje van Dorabella uit Elgars Enigma variaties, alleen langzamer, misschien is het meer (gespeeld?) verdrietig. De eerste violen spelen de melodie, waarmee we op het bal lijken aangekomen. Een soloviool snikt het even uit, maar er komt wel een lachje terug.
- O waly waly. (had I wist before I kiss’d). Ze leunde op een eik, maar die bleek niet zo stevig als ze dacht, en nu wil haar minnaar niets meer van haar weten en zit zij binnenkort met een kind op schoot.
Wederom mag een vioolsolo het verdriet introduceren, gevolgd door alle eerste violen. De celli zingen het na. Rutter moduleert naar een heftige emotie, die uiteindelijk naar aanvaarding lijkt te leiden (solo viool en altviool in canon, en een laatste vioolsolo naar ijle hoogte).
- Dashing away (with the smoothing iron). Er is weer een man aan het woord, die zijn aanbedene beschrijft die op maandag haar linnengoed wast en ze, na uithangen, stijven, strijken, opvouwen en luchten op de volgende weekdagen, op zondag weer draagt. Maar dan is ze “dashing away”: ze gaat er vandoor! Met strijkijzer en al. Hij heeft het nakijken.
Je hoort de violen aan het werk (aan de was?) in het begin. De melodielijn loopt door het orkest heen, begeleid door een langzame tegenmelodie. Wassen, uithangen, stijven, strijken, opvouwen, luchten, is het te horen? In elk geval geen kerkgang op zondag, ze is op tijd weg!
Maart 2024, Kees Limburg
