Programmatoelichting 2024-10-20
Pieter Hellendaal (1721-1799) - Concerto grosso opus 3:1
Herman Strategier (1912-1988) - Musique pour faire plaisir
Hendrik Andriessen (1892-1981) - Chromatische Variaties
mmv
Marjo Ineke, fluit
Willem Luijt, hobo
Anne van Eck, viool
Katja Dirven, cello
pauze
Albert de Klerk (1917-1998) - Concerto voor orgelpositief en strijkorkest
Ton van Eck, orgel
Ruud Koumans (1929-2017) - Kleine Suite
Spreker: Davo van Peursen
De componisten in dit programma hebben in ieder geval één ding gemeen: zij zijn allen Nederlander (al was de republiek der Zeven Verenigde Nederlanden van Hellendaal een heel andere staat dan die van zijn latere landgenoten, en verbleef hij het grootste deel van zijn leven in Engeland). Hellendaal staat dan ook in een heel andere, Italiaanse, traditie dan Andriessen en zijn leerlingen de Klerk en Strategier, die de grenzen van de tonaliteit opzochten en soms overschreden en op hun beurt weer iemand als Ruud Koumans de weg wezen naar een nieuwe muziek. Toch schreven ze alle vijf melodieuze muziek, en zijn zij ver verwijderd van de dodecafonie, die het strakke keurslijf van de tonaliteit (muziek geschreven binnen de tonen van een bepaalde mineur- of majeurtoonladder) inruilde voor een even strak keurslijf zoals in seriële muziek (waar reeksen op zich gelijkwaardige tonen, twaalf per octaaf, een dwingende volgorde krijgen). Waar in het concerto van Hellendaal het hedendaagse oor moeiteloos ieder zinnetje afmaakt, verrassen de overige vier werken de luisteraar voortdurend met ongewone melodielijnen en soms bijna onlogische dissonanten. Het blijft toch allemaal prettig om naar te luisteren, al is het soms even wennen.
Pieter Hellendaal werd geboren in Rotterdam maar hij bleef zijn geboortestad niet trouw. De familie (zijn vader gaf hem het eerste muziekonderricht) verhuisde eerst naar Utrecht, waar hij al op zijn tiende levensjaar organist van de Nicolaikerk werd. Nadat de familie naar Amsterdam was verhuisd, en hij kennelijk ook al viool had leren spelen, kreeg hij een studiebeurs voor Italië en vinden we hem al op zijn vijftiende in Padua, waar hij van 1740 tot 1742 bij Giuseppe Tartini viool en compositie studeerde. Terug uit Italië woonde hij eerst weer in Amsterdam, maar vertrok in 1751 naar Londen, waar meer te verdienen was voor een componist die niet in dienst was van adel of kerk (al trad hij wel op voor stadhouder Willem IV). Na Londen kreeg hij een aanstelling in Cambridge, waar hij tot zijn dood bleef. De zes “Grand Concertos” (sic) schreef hij in Londen in 1758. Verder bestaat zijn oeuvre voornamelijk uit kamermuziekwerken (meestal voor solo-instrument met continuo-begeleiding).
Een concerto grosso was in de vroege achttiende eeuw de term voor een vierdelig werk waarin een groepje solisten (meestal 2 violen, altviool en cello) afwisselend met en ook samen met een grotere groep strijkers en continuo optreedt; “concertino” tegenover “ripieno”. De zeventiende-eeuwse Italiaan
Corelli geldt als de bedenker van het genre. Het eerste concert uit Hellendaals zes concerti grossi opus 3 is daarvan een typisch voorbeeld, al voegt hij na de delen langzaam-snel-langzaam-snel nog een vijfde deel, een menuet toe (of een vierde, als het eerste en tweede deel als een geheel wordt beschouwd).
Ouverture (in het handschrift staat “overture”, hij was tenslotte in Engeland). Een hoekige, statige melodie in alla breve (2/2 maat), met snelle 32e nootjes in de baslijn voor iedere tweede tel. Die figuur wordt in de violen overgenomen, en voor de herhaling is er nog een snel toonladdertje van de violen naar de eerste maat terug. Op hetzelfde punt weer aangekomen rest slechts een slotakkoord (g klein, de toonsoort van het hele werk). Vervolgens gaan we in een sneller tempo verder (niet aangegeven in de handgeschreven partituur; hoe het gespeeld moest worden was in die tijd iedere speler bekend). In onze partijen staat allegro. Van boven naar beneden zetten de stemmen een voor een in, in een fuga (stemmen klinken eerst apart, dan samen; iedere stem speelt dezelfde melodie, maar zet na elkaar in, als bij een canon). Alleen “zingt” niet iedereen zijn lijn op dezelfde toonhoogte, zoals bij de canon. De laatste twee maten staan in de partituur gewoon doorgeschreven, bij ons staat adagio, omdat wij eeuwen later ook niet meer weten hoe je zulke maten hoort te spelen!
Largo. In driekwartsmaat een inderdaad breed klinkende melodie, in c klein, waarin voor het eerst het concertino soms als solist optreedt, waardoor meer afwisseling ontstaat. De slotcadens daalt naar G groot, en we gaan weer in g klein verder: het Presto begint met een dalend akkoord van vier noten gevolgd door een kort commentaar van dezelfde lengte. Daarop bouwt Hellendaal het hele deel verder, afwisselend met concertino en tutti, en het concerto grosso sluit af met het “Menueto”, een misschien in zijn tijd al wat oubollig wordende hofdans, die populair was aan het hof van Lodewijk XIV.
Het menuet als dans, altijd in driedelige maat, kenmerkte zich door kleine pasjes, hupjes en buiginkjes. Als afsluiting van een muziekstuk is het tot in de negentiende eeuw populair gebleven, al werd het vaak aan het eind van de achttiende eeuw al vervangen door het snellere Scherzo. Twee delen: het eerste wordt herhaald. Het veel voorkomende Trio ontbreekt hier.
(Johan) Herman Strategier werd geboren in Arnhem. Zijn vader verdiende zijn brood niet als musicus (zijn huwelijksakte vermeldt “koopman”), maar was toch ook muziekrecensent en organist van de Sint-Walburgiskerk. Al vroeg leerde hij (door de bladmuziek omslaan en registreren bij zijn vader) het orgel kennen. Na de HBS studeerde hij aan de RK Kerkmuziekschool Sint-Caecilia in Utrecht, een internaat gevestigd aan de Plompetorengracht dat naast een liturgische opleiding lessen in kerkmuziek en orgelspel bood. Er heerste een streng regime; “zonder twijfel spoorde het systeem aan tot hard werken”, volgens Strategier zelf. Hij studeerde daar onder veel meer bij Hendrik Andriessen orgel. Ook na zijn afstuderen in 1932 bleef hij leerling van Andriessen, ook in compositie. Medeleerlingen waren Jan Mul en Albert de Klerk, en dit trio werd hechte vrienden. Strategier volgde na de oorlog Andriessen op als organist van de kathedraal in Utrecht. Hij werd docent muziektheorie aan diverse conservatoria (en aan zijn eigen Sint-Caecilia). Als zeer veelzijdig kerkmusicus, docent, componist en koordirigent was hij een van de belangrijkste musici in het naoorlogse Nederland. Zijn eigen (rond de 400) composities omvatten veel kerkelijke, maar ook wereldlijke koormuziek, orgelwerken, kamermuziek, vaak ook kleine werken voor het genoegen (musique pour faire plaisir, noemde hij het zelf; de Franse invloed die Andriessen op zijn leerlingen overdroeg is onmiskenbaar). En daarmee komen we aan het vandaag uitgevoerde werk, dat als enige ook die titel draagt. Lichtvoetig, speels.
- Con Spirito. Een dansante melodie in driekwartsmaat , begeleid door snelle pizzicato noten bij de celli, die daarna even de hoogte in worden gestuurd in het tweede gedeelte van dit openingsmotief. Na een korte vertraging volgt een tweede thema, waarna het even rustig wordt. Een nieuw thema duikt op bij de altviolen en loopt fugatisch door het orkest. Een paar maten van een kwartet aanvoerders, in vertraging, en het nieuwe thema wordt wat verder uitgewerkt. Terug in tempo, en dan plotseling weer het begin. Een kort coda sluit het deel af.
- Andante cantabile. Een lome zomeravond, waar twee, later drie stemmen zich regelmatig laten horen. Solo’s geplaatst tegen tutti-gedeelten. Strategier speelt met zijn toonsoorten (ja, hij schrijft tonale muziek, maar maakt regelmatig uitstapjes); noemt de eerste vijftien maten “minore”, de volgende twaalf “maggiore”, dan vijf “minore” en eindigt in “maggiore” de laatste vijf maten, die sterk vertragen aan het eind, tot alleen de tweede violen overblijven in een noot die het begin blijkt van het volgende deel:
- Allegro. Totaal andere sfeer, zachte snelle gepuncteerde nootjes, telkens bij een nieuwe inzet voorafgegaan door een luide toon. Onze dirigent noemt die toon een “deurbel”, en daar zit iets in: even de aandacht trekken, en daarna de snelle beweging. Dus eerst de tweede violen, dan de eerste violen, daarna de celli gevolgd door de altviolen. Het gepuncteerde ritme verdwijnt even in een stijgend achtsten loopje van de celli waarna de altviolen het thema hervatten. Dan mag ook de bas (pizzicato) mee gaan spelen met de celli (een hele opluchting na al die maten fanatiek tellen!). Een drietal krachtige akkoorden en een nieuw thema, ingezet door de violen en een halve maat later in canon meegespeeld door altviolen en celli. De arme bas mag weer tellen tot de eerste violen het gepuncteerde ritme hervatten, maar de vreugde is van korte duur: als de celli hun lijn te spelen krijgen wordt de bas weer buitenspel gezet. Na de celli beginnen de altviolen; tweede en eerste violen sluiten aan en een korte afsluiting volgt (de bas mag nog een paar maatjes meedoen).
- Rondeau-Finale. Een mars (in tweekwartsmaat); na de eerste stappen klinkt een vrolijk melodietje. Je ziet de piccolo’s al meemarcheren. Na een tijdje gaan we toch even rennen, maar de mars gaat daarna vrolijk verder. En dan opeens, in een langzamer tempo, een vioolsolo met pizzicatobegeleiding. De hele solo mag de bas weer toekijken… Als die weer mee mag doen borduurt het orkest nog wat voort op de overpeinzingen van de concertmeester, waarna de celli, gevolgd door de eerste violen, de pas er weer een beetje inzetten. De mars komt daarna terug, maar Strategier vindt het kennelijk saai worden, want opeens verandert de maat naar drie kwart, de toonsoort van d klein naar fis klein en gaat het tempo flink omhoog. Het klinkt wat ongeduldig; ondanks de maatsoort eerder martiaal dan dansant. Maar gelukkig bedenkt de componist zich en klinkt opnieuw de mars in het oorspronkelijk tempo en ook weer de normale toonsoort. Het heet tenslotte een rondo, dus hij moet wel terugkeren naar dat thema. Maar kijk: ook de vioolsolo gaat nu terugkeren, met het bijbehorende langzame tempo, wel korter nu, en gevolgd door de driekwartsmaat, en dan weer de tweekwart. Ach ja, het is een coda! Een luid pizzicato akkoord, en drie zachte plukjes als slot.
Hendrik (Franciscus) Andriessen kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn vader, die organist aan de Sint-Josephkerk in Haarlem was. Na het overlijden van zijn vader in 1913 volgde hij hem als organist aan die kerk op. In 1914 ging hij naar het Amsterdams Conservatorium, waar hij orgel en compositie studeerde. Die twee disciplines is hij zijn leven lang trouw gebleven; hij werd een bekend organist, beroemd om zijn improvisatietalent, en een gelauwerd componist. Hij heeft veel betekend voor de (katholieke) kerkmuziek, waarin hij een geheel eigen stijl ontwikkelde die van grote invloed was op latere componisten van liturgische muziek. Daarnaast schreef hij veel kamermuziek, vier symfonieën, koorwerken en zelfs opera’s. Zijn van zijn vader geërfde muzikale talent gaf hij door aan zijn (zes) kinderen: wie kent bij voorbeeld Jurriaan en Louis Andriessen niet? Hij had duidelijk een druk leven: naast docentschappen aan het Amsterdams Conservatorium en aan de R.K. Kerkmuziekschool in Utrecht bleef hij tot 1934 vaste organist van de Sint-Josephkerk (waar hij door zijn leerling Albert de Klerk werd opgevolgd), waarna hij organist/dirigent werd aan de Utrechtse kathedraal; hij was directeur van het Utrechts Conservatorium en later van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. En vanaf 1952 was hij ook nog buitengewoon hoogleraar aan de Nijmeegse universiteit. Dat hij zo’n groot oeuvre heeft nagelaten mag een klein wonder heten (maar daar gelooft een vroom katholiek toch in?).
De chromatische variaties voor solo-kwartet (fluit, hobo, viool, cello) met begeleiding van strijkorkest werden in 1970 geschreven. In feite is hier sprake van een moderne vorm van het concerto grosso.
Andriessen zelf schreef erover: “Het kwartet is geschreven in symfonische samenwerking met een strijkorkest, en bestaat uit zes variaties en een kort, tweedelig coda. Het thema wordt direct aan het begin door het orkest geëxposeerd en is altijd herkenbaar, ook bij de vele tempoverschillen en de contrapuntische bewerkingen”.
Thema: Andante moderato, ma molto marcato.
Een (bijna) chromatische toonladder van de violen begeleidt het thema in altviool en cello, waarna het solokwartet de melodie overneemt. Bijna chromatisch (halve-tonen toonladder), omdat Andriessen soms een toon overslaat. Dat geeft spanning, maar is wat lastiger om te spelen omdat de regelmaat verbroken wordt (denk aan een trap waar af en toe een tree wat hoger is dan de rest, dat kan tot struikelen leiden). Er ontstaat een dialoog tussen het strijkorkest en het kwartet, die beurtelings elkaars opmerkingen becommentariëren. Het onderwerp is duidelijk zwaarwichtig!
Variatie I: Adagio, non troppo. Het kwartet heeft het even helemaal voor het zeggen. Tussen de chromatische loopjes ontwaar je telkens het thema, stijgend of dalend. Pas na zestien maten komt Più andante (meer gaande, dus waarschijnlijk iets sneller bedoeld), het strijkorkest weer om de hoek kijken. Als het orkest uitgepraat is herhaalt het kwartet zijn argumenten (dus weer Adagio, non troppo). De zwaarte lijkt al een beetje uit de lucht te zijn, je kunt er best even bij wegdromen.
Variatie II: Allegro leggiero. Voor het eerst trekken kwartet en strijkorkest samen op in een luchtige, springerige variatie met veel pizzicatonoten. Een snel dalend chromatisch wat huppelend loopje eindigt dit deeltje. Een rondedansje dat snel voorbij is!
Variatie III: Adagio ma non lento. Weer mag het kwartet wegdromen. Het aandeel van het orkest blijft beperkt tot de afsluiting, heel zachtjes, van drie maten, waarna in
Variatie IV: Allegro ma non troppo het orkest plotseling verrassend fortissimo inzet, maar direct teruggaat als het in korte nootjes vervolgt. Dan mag het kwartet weer meedoen met lange lijnen en snelle loopjes boven het gehakketak van de begeleiding. De fluit glijdt van de slotnoot naar
Variatie V: quasi pastorale in een wiegende 6/8 maat. Misschien zou barcarolle een beter titel zijn geweest: het kwartet zwijmelt onbeschaamd in de lyriek; een paar maal mag het orkest even wat zwaarte toevoegen, en wat druppeltjes tot slot. Het druppelen gaat nog een maatje door in
Variatie VI: Allegro con spirito. Kwinkeleren van met name de fluit; allen in eendrachtige samenwerking met twee maal een opvallende stijgende chromatische toonladder, die de eerste maal vragend op gis eindigt en de tweede maal triomfantelijk op a. Na de eerste maal heeft het pizzicato van de basgroep wel iets weg van een “walking bass”! Het gaat een tijdje zo door, maar dan geeft de cellogroep aan dat de vrolijkheid ten einde is, en (meno mosso) heeft het kwartet een aantal cadensachtige solopassages (natuurlijk vol chromatiek), en dan volgt het
Coda: Andante moderato, ma molto marcato. Het begin keert terug, maar zoals Andriessen al schreef: het is van korte duur, en (sostenuto): de slotakkoorden, met een luid pizzicato aan het eind.
(Jozef) Albert de Klerk werd in 1917 in Haarlem geboren. Zijn vader, dirigent, zanger en fluitist, was is 1914 uit Antwerpen gevlucht voor het oorlogsgeweld, en deze Jos maakte zo’n indruk op Hendrik Andriessen, de organist van de Sint-Josephkerk, die, toevalligerwijs? zijn buurman op de Bakenessergracht werd, dat die hem de leiding van het kerkkoor toevertrouwde. Dat zijn zoon Albert (spreek uit op zijn Frans!) dus op het Amsterdams Conservatorium belandde, waar Andriessen een van zijn leraren werd, lijkt niet zo wonderlijk. In 1939 studeerde hij daar cum laude af als organist, maar onderwijl bespeelde hij al vanaf zijn zestiende het Josephorgel, waarvan hij tot zijn dood, als opvolger van Hendrik Andriessen, de vaste organist bleef. Later werd hij ook stadsorganist van Haarlem, en gaf in die functie vele concerten op het Müllerorgel van de oude Sint-Bavokerk. Zijn lessen aan zijn vele, later ook zeer bekende leerlingen gaf hij daar, omdat het orgel van het Amsterdamse conservatorium door hem niet geschikt werd bevonden. Ook als koordirigent en onder andere als hoofdleraar orgel, aan het conservatorium waar hij zelf was opgeleid, en als componist was hij zeer actief. Hij geldt in navolging van Hendrik Andriessen als een van de grote vernieuwers van de katholieke kerkmuziek in Nederland.
Zijn Concerto voor orgelpositief en strijkorkest schreef de Klerk in 1964 in opdracht van het ministerie van OKW voor het orgelconcours te Bolsward; hij droeg het op aan zijn ouders. De première in Bolsward werd door hemzelf gespeeld met het Frysk Orkest. Het Tollens Ensemble zette het in 1994 op een CD (samen met onder andere de Kleine Suite van Ruud Koumans, het laatste deel van dit programma).
Deel 1. Allegro energico. En energiek is het zeker, dat begin met hetzelfde ritme in alle stemmen van het strijkorkest. De Klerk strooit met accenten in dit eerste thema, dat uit twee zinnen bestaat. Een vraag met een antwoord, en daarna een andere vraag, weer met een bevestiging als tweede deel. Een triomfantelijk fortissimo ta-tedaa (variatie op het tweede deel van het hoofdthema) sluit de inleiding af. In het afsluitend akkoord zet het orgel voor het eerst in met een loopje dat eindigt in het hoofdthema. Het orgel kan die accenten niet spelen, hooguit suggereren, zodat het nu wat minder heftig klinkt. Ook het ta-tedaa is milder. De alten en celli zetten dan wat zachter weer datzelfde thema in, beantwoord door de violen, en begeleid door snelle nootjes van het orgel. Na twee overgangsmaten wisselen ta-tedaa in orgel en strijkers elkaar af. Dan volgen variaties op beide thema’s, waarbij het orgel zwijgt. Een dalende toonladder door alle stemmen, een vertraging en het orgel brengt solo een derde thema, lyrischer, zonder de hectiek van de eerste twee. Ook dit thema bestaat uit twee delen. Het orkest antwoordt, waarna even een dialoog ontstaat. De strijkers sluiten af met een stevige mening, die voordat het orgel weer mag spreken eindigt in een zacht akkoord dat wat verrassend klinkt. Het orgel mijmert verder over het derde thema, en de strijkers antwoorden. De solist gaat onverdroten verder. Het strijkorkest maakt een opmerking, maar de organist reageert er niet echt op, dus wordt de opmerking wat luider herhaald waarna het orgel er het zwijgen toedoet en de strijkers het laatste orgelthema luid herhalen en erop voortborduren. Een paar maal even een interruptie van het orgel, en we horen het eerste thema weer opduiken. Een stevig akkoord, en het orgel herhaalt, eenstemmig, het openingsmotief, waar de Klerk daarna kunstig het lyrische thema doorheen vlecht. Allerlei variaties op het hoofdthema klinken wisselend in orgel en orkest, tot een hoogtepunt, dat vraagt om een cadens. Die komt dan ook, maar kort, en na een vertraging komt de lyriek terug in het orkest. De solist neemt het over, maar het wordt snel onrustiger en het aanvangsthema krijgt weer de overhand. Na het wat vragend slotakkoord wil het orgel nog even niet ophouden, met een razendsnel loopje omhoog. Zo, denkt de organist, maar heeft buiten de Klerk gerekend, die het orkest een donderende tik na laat geven.
Deel 2. Aria con variazioni sopra: “O Vrieslandt, soo vol deughden” (1621). Dit lied is als “Nieu-Liedeken tot lof van Vrieslandt” geschreven door Jan Janszoon Starter, een zeventiende-eeuwse Menist, in een bundel die als zedeloos werd omschreven in de negentiende eeuw. In de tekst is heus niets zedeloos te ontdekken in deze lofzang op het Friese landschap en de Friezen. De melodie zou van Jacob Vredeman de Vries, een Leeuwarder zangmeester zijn, maar dan is het waarschijnlijk zijn laatste werk geweest, omdat die in 1621 overleed. Hoe het ook zij, het is een mooie gedragen melodie die de Klerk het strijkorkest eerst laat voordragen als thema voor zijn drie variaties. In tegenstelling tot het vorige deel is hier een duidelijke toonsoort: g klein, die door alle variaties aanwezig blijft.
Variatie 1. Meno mosso. Veel langzamer speelt het orgel -inderdaad- een variatie van het lied, die geleidelijk door de altviolen wordt overgenomen, waarna de strijkers in een fuga verder gaan. Na de fuga volgt een variatie op een ander deel van het lied door de solist, waar het strijkorkest dan weer commentaar op geeft.
Variatie II. Allegretto. De strijkers dansen in 6/8 maat, het orgel vindt er het zijne van, en samen sluiten we af.
Variatie III. Adagio. Met zuchtende begeleiding spelen de eerste violen een inleiding van enkele maten. Dan neemt het orgel het over, geheel eenstemmig tot het ingetogen eind, waarbij het thema is bewerkt als een versierd koraal in de stijl van de Duitse barok, met tussendoor weer een paar maten fuga, ingezet door de altviolen. Een verborgen hommage aan Johann Sebastian Bach misschien? (ik citeer hier Ton van Eck).
Deel 3. Rondo giocoso, Allegro. Wederom tonaal, in D groot. Na alle ernst van het vorige deel en de markante hectiek van het eerste nu opeens een en al vrolijke luchtigheid. Ook weer een thema dat uit twee zinnetjes bestaat. De solist speelt het voor, en de strijkers herhalen het braaf. Het orgel presenteert een tweede thema, afgeleid van het tweede deel van het eerste zinnetje (al te eenvoudig moet je het tenslotte niet maken), altviolen en celli volgen. Dan zijn de violen aan de beurt, en het orgel komt weer met iets nieuws. Razendsnelle figuurtjes bij de solo terwijl het orkest dit laatste thema varieert, en dan plotseling de kop van het thema, zeer luid. Alsof er niets gebeurd is kabbelen we verder. Een toonladdertje door het hele orkest, met afsluitende nootjes van de contrabas, en we zijn terug bij het begin. Een paar maten later komt het eerste deel van het openingszinnetje zelfstandig tot stilstand. In een lager tempo komen de tweede(!) violen met een nieuw idee. Leuk, vinden we, en een voor een vallen de anderen in: weer een nieuwe fuga. Als die eindigt, heeft het orgel een wat virtuozer intermezzo, waarna het nieuwe thema aan een grondig onderzoek wordt onderworpen, een doorwerking. En daarna volgt dus de reprise, nu door de solist ingezet. Weer een doorwrochte fuga, en tijdens een slottrillertje van het hele orkest gaat het orgel verder met het openingsthema, in het oorspronkelijke tempo, dus opeens weer sneller. We horen het hele begin van het deel (het lijkt er althans veel op) weer terug, inclusief de keiharde onderbreking, maar in plaats van de vorige afsluiting (voordat de langzamere fuga begon) is er opeens stilte, waarin de solist (Adagio, staat er) zeer gedragen het fugathema nog eens stevig neerzet. Als het afgelopen lijkt komt het orkest nog eenmaal tevoorschijn met het giocosothema, zachtjes, met 3 forse unisono D’s tot slot. Albert heeft getoond wat hij compositorisch vermag, en dat is heel veel!
Ruud (Rudolf Leopold) Koumans werd geboren in Delft op 2 februari 1929. Na zijn eindexamen gymnasium in 1946 studeerde hij enige tijd Franse taal en letterkunde aan de Rijksuniversiteit in Leiden, maar ging begin 1948 over op muziekstudie aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Hij studeerde daar piano, altviool en muziektheorie. Hij behaalde als eerste muziektheoreticus de zilveren Mr. Fockmedaille (beloning voor de beste leerling van zijn klas). Afgezien van enige compositielessen bij Sem Dresden (1946 en 1948) was Koumans als componist autodidact.
In 1952 volgde hij zijn leraar Martin Lürsen op als leraar muziektheorie aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag; van 1957 tot 1989 was hij hoofdleraar muziektheorie. Daarna wijdde hij zich in hoofdzaak aan het componeren. Ruud Koumans woonde in Rijswijk. Hij overleed in 2017.
Onder zijn talrijke werken (2 symfonieën, een vioolconcert, Suites, Vier Jaargetijden, werken voor harmonieorkest, Missa Neerlandica voor gemengd koor en fanfareorkest, koorwerken, vocale werken, sonates, trio’s, kwartetten, kamermuziek in allerlei bezettingen) zijn er twee waarmee het Tollens Ensemble een bijzondere band heeft: de Tollens-Symphonie voor strijkorkest, opus 72 uit 1986, en de vandaag gespeelde Kleine Suite voor strijkkwartet of strijkorkest, opus 15 bis, uit 1961.
De suite, die tot ons vaste repertoire is gaan behoren, telt vier delen. Aanvankelijk bedoeld voor strijkkwartet, maar de componist heeft voor het Tollens Ensemble een strijkorkestversie gemaakt met een speciaal voor de toenmalige bassist, onze huidige dirigent, gecomponeerde baspartij.
Het idioom is niet tonaal, maar ligt goed in het gehoor.
Allegro. Een krachtig begin, gevolgd door een wat lyrischer thema met ritmische begeleiding, waarna het openingsthema terugkeert, op een andere toonhoogte weliswaar. Na een vertraging volgt (più moderato) een rustiger melodie van de violen, beantwoord door de contrabas, waarna het tempo weer versnelt naar het beginthema, nu gevarieerd. Een nieuwe vertraging, en na een paar maten weer plots het eerste tempo. Een coda-achtig laatste gedeelte, eindigend in een heel zacht pizzicato akkoordje.
- Andante. De eerste violen starten een wat aarzelende melodie in triolen waarna de andere stemmen zachtjes gaan begeleiden. Er komt wat meer contrast, waarna wat onderaards gegrom in de basgroep de aandacht opeist. Hier en daar komen de triolen weer even boven water. Wat stevige uitroepen, en een wat gemompeld commentaar dat twee maal van de violen tot de basgroep loopt, en het onderaards gedoe komt terug. Een maatje stilte, en we horen de thema’s nog even langskomen. De bas mag het verhaaltje “uitblazen”.
- Hornpipe. Allegro. Het is tenslotte een suite, dus een verzameling dansen. Was dat in de vorige twee delen niet al te duidelijk, hier is het stampen van de voeten beter te horen. Een hornpipe (ook wel “horlepiep” genoemd), is een vooral bij zeelieden populaire dansvorm uit England en Ierland, al honderden jaren bestaand, begeleid door doedelzakmuziek. Er zijn in de loop der eeuwen vele variaties ontstaan. Koumans gebruikt hier de Northumberland versie, in 3/2 maat. Beide delen van de dans worden herhaald, en een klein coda sluit het deel af. De stappen zijn in de basgroep te horen, misschien is in het gefiedel erboven de speelpijp van de doedelzak te horen?
- Tarantella. Presto. Wederom een oude dans, wat eleganter dan de wat boerse Hornpipe, en in ieder geval veel sneller. Of de naam afkomstig is van de streek Tarente, uit welk gebied de dans zeker afkomstig is, of uit het bijgeloof dat snel bewegen helpt om de gevolgen van een beet van de tarantula (een giftige spin) te bestrijden is omstreden. In elk geval is snel ronddraaien, soms in een kring, het belangrijkste kenmerk. En dat is te horen. Een korte beweging wordt herhaald, daarna een wat langere aangehouden ronddraaien, dat ook weer herhaald wordt. Een variatie waarin wat gestampt lijkt te worden komt in de plaats van het rondzwieren, dat af en toe nog even om de hoek komt kijken. Dan komt de snelle dans weer terug. Na de afsluiting volgt weer een coda (nu zelfs officieel CODA geheten). Er lijkt wat ruzie te zijn (schrijnende dissonanten in de basgroep), en een soort draai om de oren in de laatste twee maten (pizzicato: pats pats!). De laatste noot bij de celli is een halve toon hoger dan je zou verwachten; die cis heeft daardoor iets triomfantelijks: kijk eens wat een leuk stuk Koumans heeft geschreven!
Oktober 2024, Kees Limburg
